Een vreemde vogel in de kerk?

Een vreemde vogel in de kerk?

Als je een duik neemt in de geschiedenis van een kerkgebouw kom je van alles tegen.

Gevraagd naar mijn zomervakantie belevenissen, vertelde ik eens heerlijk te hebben gezwommen in de liturgische zee. Een verspreking natuurlijk, want ik bedoelde de Ligurische zee, eldorado voor duikers. Misschien verwees ik zonder te beseffen naar mijn geschiedkundig speurwerk. Aan alle opgedoken vondsten, meer of minder diep weggezonken, zitten verhalen vast. Verhalen over oprichting, inrichting en in stand houding van het gebouw. Maar vooral ook verhalen van gemeenteleden die er zijn getrouwd, een kind hebben laten dopen, of als kleine jongen of meisje bij hun vader voorin mochten zitten in de ouderlingenbank links (rechts van de predikant) of de diakenenbank rechts. (Vrouwelijke ambtsdragers waren nog schaars in die tijd.)

In de “Uitgelicht” rubriek van het kerkblad “Opgang”vroeg ik al eens of er lezers zijn die weten waar die twee consoles zijn gebleven, die tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw in de NoorderLicht-kerk (toen nog Noorderkerk en daarna Bergwegkerk) hebben gestaan en waarop de doopschaal en de bloemen stonden. Bestudering van nog oudere foto’s en tekeningen van architect B.W. Plooij leerden dat die consoles oorspronkelijk op de rand van het podium naast elkaar stonden, vlak voor de plaats waar de twee gangpaden tussen de kerkbanken uitkwamen op het podium. Precies symmetrisch ten opzichte van de preekstoel in het midden. Op de console aan het eind van het rechtergangpad stond de verzilverde doopschaal, met op de deksel een (vredes)duif. Deze prachtige schaal doet nog altijd dienst! Op de console aan het eind van het linkergangpad stond een adelaar uitgevoerd in brons. De uitgeslagen vleugels “droegen het opengeslagen Woord”. Dat wil zeggen, hier stond een katheder in de vorm van een adelaar, en daarop lag een Statenbijbel, opengeslagen bij de Tien Geboden. De ouderling van dienst las elke zondag uit de “wet” voor en de gemeente antwoordde met een schuldbelijdenis.

Wat de exacte motieven waren, weet ik niet, maar na de Tweede Wereldoorlog verdween de arend uit de kerkzaal. In 1931 schreef de krant ‘de Standaard’ in een artikel ter gelegenheid van de ingebruikname van de kerk, dat doopschaal en katheder geschenken waren van gemeenteleden. Uit verhalen begreep ik dat de directie van de Gero fabriek een mogelijke gever kon zijn. De N.V. Gero fabriek was in 1912 in Zeist opgericht onder de naam ‘Eerste Nederlandsche Fabriek van Nieuw Zilverwerken v/h M.J. Gerritsen & Co’. De fabriek droeg in belangrijke mate bij aan de werkgelegenheid in Zeist en omgeving. Met name in de wijk rond de NoorderLicht-kerk woonden veel werknemers. De onderneming had verschillende sierkunstenaars in dienst. Het is aannemelijk dat een van hen gevraagd was een doopschaal en katheder met diermotieven te ontwerpen. Reden om eens te gaan praten met de heer Daan Koman, gemeentelid en destijds graveur in dienst van Gero. Een inscriptie zou moeten uitwijzen wie de ontwerper is. Misschien waren beide vogels een geschenk van de toenmalige directeur. Maar daarvan was de heer Koman niet zeker. Wel herinnerde hij zich nog goed dat ouderling W. Ras, in het dagelijks leven hoofd van de ds. Adriaanse school aan het van Lennepplein, staande achter de katheder de wet voorlas, terwijl ds. Gillebaard en de gemeente toehoorden.

Het was de heer Theo Kluin die mij eind 2007 aanraadde eens in een van de opslagruimtes van de kerk te kijken, omdat daar de katheder wel eens zou kunnen zijn opgeborgen. En ja, een duik in de kelder van het jeugdgebouw leverde inderdaad een vondst op. Ontdaan van console of sokkel, vuil en wat verbogen, maar verder ongedeerd lag de vogel te wachten op zijn herontdekking. Daarover later sprekend met ds. Roel Bosch en Marleen van den Berg bleek Marleen gemotiveerd de oude vogel een flinke opknapbeurt te geven. Een logeerpartij van de arend in het atelier van Marleen heeft een verbluffend resultaat, een pronkstuk, opgeleverd. Opvallend zijn ook de Davidssterren onderaan de beide vleugels. Dit motief, een verwijzing naar het volk Israël, komt terug in het kerkinterieur als versiering van de steunpunten waarop de dakspanten rusten (zoekplaatje). Het bronzen dier ziet eruit alsof het niet kan wachten na zoveel jaren van eenzame opsluiting te worden verenigd met de zilveren duif. Want het mooie van kerk zijn is dat vogels van verschillend pluimage samen komen in hetzelfde kerkgebouw!

En zo komt aan de hand van verhalen over twee bijzondere vogels een stukje van onze kerkgeschiedenis tot leven. U bent vanzelfsprekend uitgenodigd hierop aan te vullen of suggesties te doen voor verder speurwerk.

Jan Piet Barthel